Advocatenkantoor Leushuis

Advocaat 1
Advocaat 2
Advocaat 3
Advocaat 4

Ondernemingsrecht

 
Aansprakelijkheid van de bestuurder
Het komt nogal eens voor dat een bestuurder van een vennootschap zijn crediteur niet betaalt. Ten einde te trachten zijn onbetaald gebleven vordering toch nog opeisbaar en inbaar te maken, beschuldigt de crediteur deze bestuurder dan van onrechtmatig handelen. De grondslag van de vordering van de crediteur is veelal dat de bestuurder, waarmee hij de overeenkomst heeft gesloten, moet hebben geweten dat de vennootschap die wegens insolventie niet zal nakomen.

In het verleden had de crediteur een bewijsprobleem. Deze moest immers aantonen dat de bestuurder op het moment van het aangaan van de overeenkomst wist of moest weten dat de vennootschap van haar kant niet zou presteren.

In een uitspraak van de Hoge Raad uit 1989 (Beklamel, NJ 1990,286) is reeds een eerste verwoede poging gedaan om de bij de crediteur gelegde bewijslast te verzachten, echter toen nog tevergeefs.

In 1992 (NJ 1992,411) kwam de Hoge Raad enigszins op dit eerder gegeven arrest uit 1989 terug. In het gewezen arrest uit 1992 gaf de Hoge Raad een aantal overwegingen over de aansprakelijkheid van de bestuurder(s) op grond van onrechtmatige daad. De belangrijkste overweging daarbij was dat:

"de betaling van de schuld niet noodzakelijk behoeft plaats te vinden uit voor verhaal vatbare vermogensbestanddelen, maar kan ook plaatsvinden uit gelden die de vennootschap ter beschikking staan krachtens een bestaande of nog te verkrijgen kredietfaciliteit, niet uitgesloten is dat degene die de volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, jegens de betreffende schuldeiser onrechtmatig handelt door na te laten ervoor te zorgen dat van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt".

In een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam, gepubliceerd op 17 januari 2011, wordt de in gang gezette lijn van het hoogste rechtelijke college doorgetrokken. De rechtbank acht daarbij zowel de bestuurder als de gevolmachtigd directeur van de BV aansprakelijk uit onrechtmatige daad op de grond dat zij ten tijde van het plaatsen van de bestellingen wisten of behoren te weten dat de BV de bestellingen niet zou kunnen betalen en geen verhaal zou bieden voor de schade die de leverancier daardoor zou leiden.

"De liquiditeit en solvabiliteit van de BV ten tijde van de bestellingen waren dermate slecht dat het op de weg van de bestuurder en feitelijk leidinggevende ligt te stellen dat zij nog zodanige verwachtingen omtrent de financiële vooruitzichten van de BV mochten hebben dat er nog een reële kans bestond dat de vordering van leverancier inbaar zou blijken".

In dit geval is niet aan de stelplicht voldaan.

Zelfs het feit dat de bewindvoerder de onderneming nog tijdens de surseance van betaling levensvatbaar achtte, maakt dit niet anders. Bestuurders dienen dus op hun hoede te zijn als zij zaken doen met een derde op het moment dat kan worden bevroed dat de financiële positie van hun onderneming niet rooskleurig is en de vraag rijst of zij nog wel daadwerkelijk hun bestelling of leverantie kunnen betalen.

Voor vragen over dit artikel of andere vragen op het gebied van het ondernemingsrecht kunt u gebruik maken van het contactformulier. Vorenstaand artikel is een vrije weergave van uitspraken over bestuursaansprakelijkheid. Aan de inhoud hiervan kunnen geen rechten worden ontleend.

Nieuws betreft ondernemingsrecht

Maandag 5 september 2011:
Wetsvoorstel personenvennootschappen ingetrokken

© Webdesign by JBB Media | Advocatenkantoor Leushuis